Bezoek academische website Lode Vereeck Lode Vereeck

Confederalisme? Latfederalisme!

vrijdag 4 januari 2013

 

1. Begripsbepaling

Wat is confederalisme precies? We moeten oppassen voor begripsverwarring, of beter begripsvervuiling, want in België gebruiken politici dit woord niet helemaal in zijn correcte betekenis.

Een confederatie of een statenbond is eigenlijk een verbinding tussen soevereine staten, die op basis van een gezamenlijk verdrag overeenkomen om bepaalde aangelegenheden, zoals buitenlandse belangen en veiligheid, al dan niet tijdelijk, gemeenschappelijk te regelen. Hoewel de confederatie of statenbond soms wordt beschouwd als een staatsvorm is het dit eigenlijk niet. Het fenomeen heeft namelijk niet betrekking op de vorm van één enkele soevereine staat, maar op een geheel van staten. Het grote verschil met een federatie of bondsstaat is dat de klemtoon ligt op de individuele deelstaten, die in wezen soeverein blijven of worden. In een federatie daarentegen ligt de soevereiniteit bij de federatie, het overkoepelende geheel. Terwijl in een bondsstaat de federale grondwet het bindende element is, is in de statenbond het verdrag het bindende element, waarbij de staten principieel hun soevereiniteit bewaren.

Zoals gezegd, moeten we opletten voor begripsvervuiling. Om een echte confederale staat te stichten, zouden de deelstaten dus eerst zelf onafhankelijke staten moeten worden. In die optiek is in België tot nu toe eerder sprake van een omgekeerde confederalisering. ‘Omgekeerd’ omdat het zwaartepunt verschuift van het federale niveau naar de deelstaten; ‘confederalisering’ omdat het een geleidelijk proces is. Een correctere term is wellicht defederalisering. Bij een confederale staat gaat het immers om twee (of meer) onafhankelijke staten die een samenwerkingsverdrag sluiten, terwijl wanneer bij ons politici over een confederaal België spreken, ze het veelal hebben over een federale staat waarbij het zwaartepunt bij de deelstaten ligt.

Met het belgicisme ‘confederalisme’ wordt dus een doorgedreven federalisering bedoeld waarbij de deelstaten het belangrijkste politieke niveau worden en waarbij de deelstaten in onderling overleg afspreken welke bevoegdheden de federale staat nog zal uitoefenen (art. 35 Grondwet, zie verder). Vlaams minister-president Kris Peeters spreekt hierbij graag over een Copernicaanse revolutie waarbij de zon niet langer rond de aarde, maar de aarde rond de zon draait. In die zin komt het zwaartepunt niet langer bij de federale staat, maar bij de deelstaten te liggen.

Volgens prof. Matthias Storme (KULeuven) is het wezenlijke kenmerk van confederalisme, waardoor het zich onderscheidt van federalisme, de “bevoegdheid om de eigen bevoegdheid te bepalen”. Het fundamentele onderscheid is dus welk bestuurlijk niveau de bevoegdheid heeft om de bevoegdheidsverdeling tussen de niveaus te bepalen. In een federale staat is het de federale grondwetgever die de bevoegdheden verdeelt tussen het federale niveau en het deelstaatniveau; in een confederatie bepalen de lidstaten welke bevoegdheden de federale overheid heeft. In die zin is de Europese Unie een confederatie, want de Unie heeft slechts bevoegdheden voor zover de (soevereine) lidstaten die bevoegdheden hebben overgedragen. In een confederatie kunnen de leden die federale bevoegdheden ook (eenzijdig) intrekken. De modaliteiten kunnen wel verschillen. Zo kunnen de lidstaten van de Europese Unie in beginsel geen afzonderlijke bevoegdheden terugtrekken, maar enkel het lidmaatschap als geheel opzeggen.

De “bevoegdheid om de eigen bevoegdheid te bepalen” is overigens niet hetzelfde als de ‘residuaire bevoegdheid’, die regelt wie de bevoegdheden heeft die niet uitdrukkelijk zijn toegewezen. Het andere niveau heeft dan enkel ‘toegewezen’ bevoegdheden. In een confederatie hebben de leden de residuaire bevoegdheid, maar dit geldt ook in de meeste federale staten. In België is dit in principe ook het geval onder de bepaling van art. 35 Grondwet, maar dit grondwetsartikel is nog steeds dode letter.

Een confederatie is ook meer dan een intergouvernementele conferentie (zoals Europees commissaris Karel De Gucht België ooit heeft genoemd), meer dan een louter verdrag. Een confederatie heeft immers gemeenschappelijke (federale) instellingen die wel degelijk bevoegdheden hebben die ze in beginsel zelfstandig kunnen uitoefenen zonder dat er daarbij unanimiteit nodig is.

Tenslotte merk ik op dat de begrippen ‘federaal’ en ‘confederaal’ niets zeggen over de omvang van de respectieve bevoegdheden. Er bestaan federale staten met zeer beperkte en confederale staten met zeer uitgebreide bevoegdheden voor het federale niveau. De begrippen federaal en confederaal zeggen ook niets over de hiërarchie der normen, over de vraag of de wetten van een bepaald bestuursniveau hoger in rang zijn dan die van een ander niveau. Een hiërarchie der normen bestaat immers enkel als meerdere niveaus bevoegd zijn voor dezelfde materie en niet voor materies waar er maar één niveau bevoegd is. Een hiërarchie bestaat dus in beginsel enkel bij concurrerende bevoegdheden. Er zijn federaties zonder hiërarchie, zoals België, omdat er – in principe - geen concurrerende bevoegdheden zijn (op de usurperende bevoegdheden na). En er zijn confederaties die wel zo’n hiërarchie hebben, zoals de Europese Unie.

Samengevat: met belgicisme “confederalisme” wordt een doorgedreven federalisering bedoeld.

 

2. Historische voorbeelden

Het is een (politiek-correcte) mythe dat er in de geschiedenis geen ‘succesvolle’ confederaties zouden zijn geweest. Het is wel zo dat de meeste confederaties die enige tijd hebben bestaan, ontstaan zijn vanuit onafhankelijke staten en niet vanuit een unitaire of federale staat. Denken we maar aan de Europese Unie die de iure geen confederatie is, maar de facto als een confederatie van soevereine staten zou kunnen worden beschouwd.

Maar er zijn wel degelijk andere voorbeelden:

Zoals de ‘Verenigde Provinciën’. Na de afschaffing van de Habsburgse monarchie met het Plakkaat van Verlatinghe (afzetting van Filips II) hebben de Nederlanden zich omgevormd tot een zeer succesvolle confederatie, die zowat 200 jaar lang een wereldmacht is geweest. De soevereiniteit berustte toen bij de afzonderlijke Provinciën, die enkele centrale instellingen hadden ingericht (zoals de vloot) en samen de ‘Unie van Utrecht’ vormden.

Een ander voorbeeld is de ‘Brabantse Omwenteling’, de opstand van de Zuidelijke Nederlanden in 1789 en 1790 tegen het Oostenrijkse gezag van keizer Jozef II. Het begon in het gewest Brabant met de Slag bij Turnhout, maar breidde zich al heel snel uit over Vlaanderen en daarna ook in Henegouwen, Namen en het oude Limburg. Deze opstand leidde tot het kortstondig bestaan van een republiek, de ‘Verenigde Nederlandse Staten’, onder leiding van Hendrik van der Noot. Alle Nederlandse staten, met uitzondering van Luxemburg, verklaarden zich toen onafhankelijk en verenigden zich op 11 januari 1790 in de Verenigde Nederlandse Staten. Elke provincie behield dus zijn soevereiniteit, maar droeg de gemeenschappelijke belangen over aan een Congres of Staten-Generaal waardoor er de facto sprake was van een confederale structuur.

Tal van andere landen hebben een confederale fase in hun geschiedenis gekend:

Zwitserland was gedurende eeuwen een confederale staat, bekend als het Oude Eedgenootschap, tot aan de afschaffing van de soevereine bevoegdheden van de kantons in 1848. Zwitserland is nu een federale staat.

De Verenigde Staten van Amerika vormden een confederatie van 1781 tot 1789 onder de ‘Articles of Confederation’, totdat besloten werd een federatie te vormen zoals vastgelegd in de grondwet aangenomen in 1789. Maar in 1861 scheidden enkele zuidelijke staten zich af en vormden de Geconfedereerde Staten van Amerika. De afscheiding leidde tot de Amerikaanse Burgeroorlog die door de Confederatie in 1865 verloren werd, waarna de Zuidelijke staten onder politieke curatele kwamen te staan.

Ook de Duitse Bond was een losse statenbond van Duitse staten die ontstond op het Congres van Wenen (1815) en uiteenviel in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866). De Duitse Bond werd gevormd op basis van de Bondsakte, die door 38 staten (34 vorstendommen en 4 vrije steden) werd ondertekend. Het doel van de Bond was enerzijds de zelfstandigheid van Duitsland te bewaren door een gezamenlijk optreden tegenover het buitenland en anderzijds het handhaven van de autonomie van de individuele staten.

In de recentere geschiedenis was er de Verenigde Arabische Republiek, een unie tussen Egypte en Syrië, die in één confederale staat verenigd waren van februari 1958 tot 28 september 1961. Dichter bij huis vormden Servië en Montenegro in 2003-2006 een confederatie tot Montenegro zich op 3 juni 2006 onafhankelijk verklaarde.

Volledigheidshalve kan verwezen worden naar Rusland en Wit-Rusland die al jaren in bespreking zijn over de confederatie ‘Unie van Rusland en Wit-Rusland’. Tot nu toe is deze confederatie nog niet in werking getreden.

Er zijn ook enkele succesvolle uitstappen uit confederaties zoals Zweden-Noorwegen, Tsjechoslovakije en het genoemde Servië-Montenegro,.

 

3. Bestaansreden van een confederaal België

Waarom zou België zich omvormen tot een confederale staat? Een confederale structuur biedt in principe als voordelen (1) dat er een efficiënter beleid op maat van de reële maatschappelijke noden kan gevoerd worden doordat er meer en homogenere bevoegdheden worden overgedragen, (2) dat de deelstaten instaan voor hun eigen uitgaven (fiscale responsabilisering) en (3) dat de communautaire problemen voorgoed, zoniet voor lange tijd van de baan zijn zonder de nadelen van een splitsing. De twee deelstaten hebben immers ook een gemeenschappelijke geschiedenis, waardoor ze vaak toch meer op elkaar lijken dan op de buurlanden waarmee ze een taal delen. Bovendien hebben Vlamingen en Franstaligen ook harde gemeenschappelijke belangen, zoals de Europese hoofdstad Brussel of de gestructureerde afbetaling van de Belgische schuld.

3.1. Efficiënt beleid en fiscale responsabilisering

Enerzijds is er de vaststelling dat de federale staat niet optimaal werkt omwille van de tegenstellingen tussen Noord- en Zuid-België. Het gaat daarbij om maatschappelijke tegenstellingen over de inrichting van de samenleving, gaande van de sociale zekerheid tot de verkeersregels. België bestaat de facto uit twee entiteiten, twee democratieën, twee publieke opinies, die elkaar niet eens goed kennen en zelfs geen moeite doen om elkaar beter te leren kennen.

Anderzijds is een verschil van opinie en visie haast de essentie van een democratie en dus op zich onvoldoende reden om te splitsen. De voornaamste reden om ons land te hervormen is dan ook een rationeel argument, namelijk het verhogen van de efficiëntie van het beleid. Daarvoor zijn homogene bevoegdheidspakketten nodig.

Om ervoor te zorgen dat bvb. het arbeidsmarktbeleid nauw aansluit bij de economische situatie van de deelstaat, dat het armoede-, gezins- en ouderenbeleid nauw aansluit bij de demografische situatie van de regio, dat het onderwijs nauw aansluit bij de cultuurgemeenschap, is het aangewezen dat de deelentiteiten hiervoor volledig verantwoordelijk zijn.

België is altijd een enigszins kunstmatige constructie geweest, uitgevonden in 1830, na een opstand van de Brusselse en Luikse bourgeoisie tegen het regime van Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Die Franstalige bourgeoisie maakte handig gebruik van de sociale onlusten in Brussel en Wallonië om een revolutionaire sfeer en een roep naar afscheuring te creëren. Hun doel was de heraanhechting bij Frankrijk, maar dat zagen de grote mogendheden van toen niet zitten. Na allerlei onderhandelingen en gesjacher met grenzen werd een compromis bereikt dat door de vijf grote landen werd erkend: België. Er werd naar een koning gezocht (het werd een familielid van het Engelse hof: Leopold I) om de unie van twee verschillende regio’s te besturen. Het noorden was een Nederlandstalige, katholieke regio, veelal bevolkt door kleine landbouwers, met enkele historische cultuursteden en een haven (Antwerpen). Het was niet in opstand gekomen tegen Willem I. Het zuiden was een Franstalige regio met – naast de land- en bosbouw – een groeiende industrie van steenkool en staal, waardoor het stedelijk socialistisch syndicalisme er sterker werd dan de invloed van de katholieke kerk.

De tegenstellingen tussen beide landsgedeelten werden verder op scherp gezet door de nare ervaringen van de Vlaamse soldaten aan het IJzerfront, die tijdens de ‘Groote Oorlog’ terecht protesteerden tegen de discriminatie van de Vlaamse soldaten door de overwegend Franstalige officieren van het Belgisch leger.

Omdat de Franstalige elite er niet in slaagde de twee regio’s te besturen op maat van de behoeften en verlangens van beide bevolkingsgroepen, ontstond er dan ook een Vlaamse én een (kleinere) Waalse beweging. De Vlamingen wilden vooral erkenning van hun taal in het onderwijs en de ambtenarij. De Walen wilden vooral meer economische beslissingsmacht.

Kortom, België is nooit een echte natiestaat geweest, maar was van in het prille begin een eerder kunstmatig land met twee verschillende economische regio’s, twee verschillende cultuurtalen en logischerwijze ook twee verschillende politieke opvattingen.

Langzamerhand is dan ook de opvatting gegroeid dat de tweeledige maatschappelijke structuur van België geen politieke eenheidsstructuur, geen unitair België meer verdroeg. Logischerwijze werd België daarom steeds verder gedecentraliseerd via zes staatshervormingen (1970, 1980, 1988-89, 1993, 2001-2003 en 2011), om in 1993 een echte bondsstaat te worden met het zogenaamde bipolair federalisme als staatsvorm. Door de staatshervorming uit 1993, het zogenaamde Sint Michielsakkoord, heeft België momenteel een federale staatsstructuur waarbij de deelstaten een zekere mate van autonomie bezitten, weliswaar zonder fiscale autonomie van enige betekenis.

Hoewel dit Belgische federalisme minder dan 30 jaar oud is, is het voor niet-ingewijden een ingewikkeld en onoverzichtelijk kluwen, omdat het Belgische federalisme unitaire kenmerken vertoont (de gewesten zijn nog steeds grotendeels financieel afhankelijk van de federale dotaties) en tegelijk confederalistische trekken vertoont (politici moeten zich steeds meer tot een uitsluitend Vlaams of Franstalig kiespubliek richten). En hoewel slechts 20 jaar oud is het voor iedereen, voor alle partijen, voor binnen- en buitenlanders overduidelijk dat het Belgische federalisme in zijn huidige vorm niet echt in staat is om de problemen in ons land adequaat op te lossen, eerder integendeel.

Het verschil in de socio-economische situatie tussen het Noorden en het Zuiden vertaalt zich in sterk uiteenlopende visies en beleidskeuzes wat op federale niveau soms tot een complete impasse leidt. Het asiel- en migratiebeleid is één van de meest opvallende voorbeelden. Maar ook op andere beleidsvlakken, zoals de aanpak van de loonkostenhandicap van de bedrijven, de jeugddelinquentie of de verkeersveiligheid, lopen de situatie en de visie sterk uiteen in het Noorden en het Zuiden van het land. Het is dus moeilijk om een eenduidig (federaal) beleid op maat te voeren om deze problemen het hoofd te bieden. Zowel voor Vlaanderen als Wallonië zou het dus beter zijn als ze zelf een eigen beleid op dit vlak zouden kunnen uitstippelen. Vooral de onvolmaaktheid van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en deelstaten zorgt voor veel wederzijdse obstructies, onwerkzame compromissen en voordurende conflicten. Vandaar de roep om meer homogene bevoegdheden voor Vlaanderen en Wallonië.

De staatsstructuren van dit land dienen dan ook verder structureel te worden aangepast aan de socio-economische realiteit van dit land. Voor het aanpakken van de vele problemen die in beide regio’s vaak verschillend zijn, is er dan ook dringend een structuur nodig op maat van Vlaanderen en Wallonië afzonderlijk. Deze staatsstructuur dient logischerwijze uit te gaan van twee deelstaten die in onderling overleg bepalen wat ze nog samen op het federale niveau willen doen. En zo komen we dus uit bij het confederalisme dat in principe een efficiënter beleid zou moet toelaten.

3.2. Fiscale responsabilisering

Bovendien laat een confederale staatstructuur tevens toe dat de beide gewesten ten volle worden geresponsabiliseerd. Responsabilisering betekent immers dat de deelstaten zelf instaan voor hun uitgaven en deze financieren met eigen belastingen. Om die reden behoudt en int elk niveau in de confederale staat zijn eigen belastingen. [Voor een concrete uitwerking verwijs ik naar mijn boek "Taksjager" (2019)]

3.3. Communautaire vrede

Een confederale staatstructuur zou ook moeten toelaten dat de communautaire problemen achterwege blijven waardoor politici zich eindelijk ten volle kunnen concentreren op prangende maatschappelijke problemen zoals strijd tegen de werkloosheid en de armoede. In tegenstelling tot het separatisme, biedt het confederalisme ook meer realistische politieke scenario’s voor Brussel.

Een confederale staatstructuur laat in principe ook een meer democratische politieke besluitvorming toe, waarbij de meerderheid effectief beslist. In de huidige federale regering wordt de Vlaamse meerderheid immers niet weerspiegeld; in het federale parlement wordt ze soms met grendels en alarmbellen buitenspel gezet. Belangenconflicten, procedures, alarmbellen, grendels en evocaties in Kamer en Senaat, die geen zoden aan de dijk brengen, kunnen in een confederale staatstructuur dan ook naar de prullenmand worden verwezen.

 

4. Scenario’s voor een confederale Belgische staat

Hoe kan een confederale België worden opgericht? Door een staatshervorming, de toepassing van art. 35 van de Grondwet, een referendum, een institutionele staking, de methode Senelle, een belastingsstaking.

4.1. Staatshervorming

De ‘defederalisering’ van België is al decennialang aan de gang. Het proces gaat langzaam vooruit via de techniek van de staatshervormingen (1970, 1980, 1988-89, 1993, 2001-2003 en 2011). Ook een confederale staatsstructuur kan op deze wijze bekomen worden, maar vergt tijd om de staatkundige onderhandelingen tussen de regio’s te voeren.

4.2. Artikel 35 van de Grondwet

We zouden ook invulling kunnen geven aan artikel 35 van de Grondwet dat tot nu toe dode letter is gebleven en waarin wordt bepaald: “De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen. De gemeenschappen of de gewesten zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd voor de overige aangelegenheden onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid.”

De voorwaarden voor het inroepen van artikel 35 van de Grondwet zijn tweeërlei. Ten eerste moet er een lijst met bevoegdheden worden opgesteld die aan het federale (nationale) orgaan toekomen. Deze beknopte lijst opstellen is een formaliteit. Niets belet immers dat in de komende jaren de lijst indien nodig wordt geactualiseerd, uitgebreid of ingeperkt. De lijst wordt bij wet vastgelegd. Elke materie en bevoegdheid die niet in de lijst is opgenomen, blijft bij de deelstaten.

De tweede voorwaarde is veel minder evident. Artikel 35 van de Grondwet bepaalt immers dat de wet die de bevoegdheden voor het federale orgaan vastlegt, met de bijzondere meerderheid van artikel 4 van de Grondwet moet worden goedgekeurd. In artikel 4 wordt bepaald: “De grenzen van de vier taalgebieden kunnen niet worden gewijzigd of gecorrigeerd dan bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.” Invulling geven aan artikel 35 van de Grondwet impliceert dus een aanwezigheidsquorum van een gewone meerderheid in elke taalgroep en een tweederde meerderheid in beide taalgroepen.

Het toepassen van artikel 35 resulteert dus automatisch in confederalisme. Maar als het allemaal zo simpel zou zijn, waarom is het dan al niet eerder gebeurd?

4.3. Referendum

Ook via een referendum is een democratisch legitieme en eenzijdige opeising van confederale bevoegdheden in principe mogelijk. Zo bijvoorbeeld wil de Schotse regering, geleid door Alex Salmond - boegbeeld van de Scottish National Party (SNP) -, in 2014 een referendum organiseren over onafhankelijkheid. Londen wil de Schotten voor de ultieme keuze stellen: ‘ja’ of ‘neen’, ‘voor’ of ‘tegen’ volledige onafhankelijkheid. De Schotse nationalisten willen echter nog een derde optie voorleggen aan de kiezer: een verregaande soevereine autonomie, binnen de grenzen van het Verenigd Koninkrijk, m.a.w. confederalisme.

In België zijn thans enkel niet-bindende volksraadplegingen toegestaan. Het inrichten van een bindend referendum vereist dus een wetgevend initiatief, op federaal niveau. Vandaar dat deze piste niet zo realistisch is. Toch bepleitte huidig Europees parlementslid Guy Verhofstadt in 1996 (Oktobercongres in Antwerpen) om hierover een referendum te houden. Hij stelde: “De vraag moet zijn of Vlaanderen het recht heeft om eigen belastingen te innen, en of Vlaanderen de kans moet krijgen een eigen sociale zekerheid uit te bouwen.”

4.4. Institutionele staking

In maart 2009 lanceerde professor Bart Maddens (KULeuven) een nieuwe Vlaamse strategie om vooruitgang te boeken in de staatshervorming. De laatste communautaire wanhoopspoging - een dialoog tussen gemeenschappen - was immers mislukt. Zijn strategie behelste een dubbele institutionele stiptheidsstaking. Enerzijds waren de Vlamingen niet langer vragende partij voor een staatshervorming: “on n’est demandeur de rien”. Pas wanneer de Franstaligen geld nodig zouden hebben, konden de Vlamingen hun eisen stellen. Anderzijds moest Vlaanderen de bestaande institutionele instrumenten, zoals het belangenconflict, maximaal benutten. Maar meer dan lippendienst werd door de Vlaamse regering aan deze Maddens-strategie nooit bewezen.

Vandaar dat een andere strategie kan ontwikkeld worden. In onderhandelingen spelen zowel argumenten als strategie een rol. De uitkomst van een onderhandeling, d.i. de overeenkomst, is immers enkel geldig indien ze uit vrije wil is afgesloten, en ongeldig indien ze onder (te) zware druk tot stand is gekomen. Het niet-sluiten of het dreigen met het niet-sluiten van een akkoord is echter wel een geoorloofde tactiek tijdens onderhandelingen. Partijen kunnen ook beslissen om niet meer samen te werken totdat er betere voorwaarden worden aangeboden. Dat is, zoals gezegd, een geoorloofde onderhandelingstactiek. Vlaanderen kan in principe elke samenwerking weigeren totdat de nodige institutionele hervormingen worden doorgevoerd. Daarmee wordt de Maddens-strategie echter op zijn kop gezet. “On n’est demandeur de rien” wordt “on n’est organisateur de rien”. Waar Maddens dus oproept tot het actief inroepen van belangenconflicten, kan de Vlaamse regering ook passief de samenwerking met het federale niveau opschorten. Geen eenzijdige scheiding, geen curatele, geen institutionele stipheidsactie, maar een institutionele staking. Het is dan aan de Franstaligen om een tegenbod te doen.

4.5. Methode Senelle

Een 'omgekeerde confederalisering’ zou in principe ook kunnen worden gerealiseerd door het uitroepen van soevereine bevoegdheden door een democratische meerderheid van de leden van het Vlaams parlement. Grondwetsspecialist Robert Senelle lanceerde deze piste (in Gazet van Antwerpen op 30 juli 2007). Hij stelde: “Het komt het Vlaams Parlement toe om tijdens een plechtige zitting Vlaanderen uit te roepen tot deelstaat van het federale België met het territorium dat zich van de Noordzee tot de taalgrens uitstrekt en waar alleen de Nederlandse taal en de Vlaamse cultuur officieel zijn erkend en beschermd. Van dat territorium is alleen Brussel-Hoofstad tweetalig en een autonome regio.”

De twee deelstaten moeten daarop elk hun eigen grondwet opstellen, merkte professor Senelle nog op. Volgens Robert Senelle zal Wallonië zich bij de feiten en de nieuwe situatie moeten neerleggen. Hij stelde: “Ik ben ervan overtuigd dat de politieke en communautaire druk zo groot zal zijn dat Wallonië niets anders rest dan dezelfde weg op te gaan.” Deze aanpak is revolutionair en gewaagd.

4.6. Belastingsstaking

Tenslotte zouden de Vlamingen in principe het confederalisme ook kunnen forceren door een ‘tax revolution’, een belastingstaking. Dit is de meest revolutionaire van de zes scenario’s.

 

5. FAQ: confederalisme in de praktijk

5.1) Welke bevoegdheden blijven nog federaal, dus Belgisch?

Dat is een verkeerde vraagstelling. Gegeven art. 35 GW luidt de correcte vraag: wat wil Vlaanderen samen met Wallonië doen? Op de lijst staan zo goed als zeker defensie, buitenlands beleid, toegang tot grondgebied (asiel en migratie) en Brussel (gemeenschapsmateries), de nationale schuld en delen van de sociale zekerheid waarover de deelstaten in het kader van de confederale solidariteit een contract sluiten. Aangezien de regelgeving grotendeels geregionaliseerd en gecommunautarisseerd wordt, zal ook de rechtspraak op de leest van de deelstaten geschoeid zijn. Maar er blijven uiteraard rechtbanken bestaan die federale materies behandelen.

5.2) Blijft er solidariteit bestaan tussen de deelstaten?

Ja, het is zelfs essentieel, want confederalisme zonder solidariteit is separatisme (zie verder). De solidariteit kan met een transparante, forfaitaire interregionale dotatie (horizontale solidariteit) of via een transparante, forfaitaire interpersonele solidariteit binnen de sociale zekerheid (verticale solidariteit). De eerste optie betekent dat er een bepaald bedrag wordt overgedragen van de rijkere naar de armere deelstaat, zoals in de Duitse Finanzausgleich. De tweede optie houdt in dat de middelen van de sociale zekerheid federaal geïnd worden, maar verdeeld op basis van geobjectiveerde noden. De rijkere deelstaat draagt meer bij, maar de verdeling gebeurt objectief en forfaitair per nood (kind, medische ingreep, werkloosheid). De deelstaten hoeven die middelen niet per se forfaitair per individu te besteden, maar kunnen ze ‘poolen’ en gebruiken (en zelfs aanvullen) om een eigen sociaal zekerheidsbeleid te voeren. Responsabilisering van de deelstaten gebeurt via de meeropbrengsten uit een eigen fiscaliteit die gekoppeld is aan een hogere werkzaamheidsgraad (bvb. inkomstenbelasting).

5.3) Wie betaalt de Belgische schuld af?

De afbetaling en eventuele verdeling van de Belgische schuld zal op een ordentelijke manier moeten worden geregeld om de kredietwaardigheid van de deelstaten op de internationale financiële markten niet in het gedrang te brengen. Deze schuld zou in principe verdeeld kunnen worden volgens een bepaalde verdeelsleutel op basis van twee principes: het profijtbeginsel (wie had er voordeel bij de schuld, waarvoor is er geleend) en het draagkrachtbeginsel. Om speculatie door de financiële markten te vermijden, kan de (afbetaling van de) staatsschuld evengoed een federale bevoegdheid blijven. Daartoe kan een gemeenschappelijk Schuldagentschap worden opgericht. De schuld kan worden afgelost met bijdragen van de deelstaten aan het Schuldagentschap. Maar m.i. kan de Belgische confederale staat best over eigen belastingsopbrengsten (btw, accijnzen) beschikken (zie volgende vraag).

5.4) Hoe wordt de federale staat gefinancierd?

Vertrekkende vanuit art.35 GW is de inning van de belastingen in principe een bevoegdheid van de deelstaten. Voor de uitvoering van haar taken zou de federale staat dus gefinancierd worden via dotaties vanuit de deelstaten. Dit houdt echter het gevaar in van een omgekeerd consumptiefederalisme, een onvoldoende responsabilisering van de federale staat en een gebrek aan geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk Schuldagentschap op de internationale financiële markten. In een efficiënte confederale staat beschikt elke entiteit best over haar eigen belastingsinstrument(en). Voor de federale staat zouden die bestaan uit btw en

5.5) Blijft er een Belgisch parlement bestaan?

Ja. Het confederale Belgisch parlement bestaat uit de samenvoeging of een afvaardiging vanuit de rechtstreeks verkozen deelstaatparlementen.

5.6) Blijft er een Belgische regering bestaan?

Ja. Er zal inderdaad een Belgische (con)federale regering blijven bestaan. Deze regering vormt een permanent overlegorgaan tussen de regeringen van de deelstaten en vervult een beperkt aantal eigen confederale bevoegdheden. Deze regering zal de confederatie ook vertegenwoordigen bij de internationale organisaties. Zoals nu reeds bij de Europese toppen of in de OESO, zal zij er gemeenschappelijke standpunten verdedigen of zich onthouden.

5.7) Blijft de Belgische grondwet bestaan?

Dat hangt ervan af. In een confederatie stricto sensu wordt de grondwet vervangen door de grondwetten van de deelnemende staten en het samenwerkingsverdrag tussen de leden van de confederatie. In de Belgische context lijkt het aannemelijk dat er een gemeenschappelijke grondwet blijft bestaan.

5.8) Blijft er een gemeenschappelijke hoofdstad?

Ja. In een confederaal België is Brussel de hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa. Brussel zou op die manier de rol van een confederaal stadsgewest kunnen vervullen met volledige autonomie voor wat betreft de gewestelijke materies. Voor alle gemeenschapsaangelegenheden werken de twee deelstaten in Brussel samen. Beslissingen zouden met dubbele meerderheid (of met een gekwalificeerde dubbele meerderheid) genomen worden. Voor de gemeenschapsmateries zouden de Brusselaars kunnen kiezen tot welke gemeenschap ze willen behoren. Ze betalen er belastingen aan, genieten er van de voorzieningen en nemen er deel aan verkiezingen van hun bestuurders.

5.9) Wat gebeurt er met de Duitstalige Gemeenschap?

De Duitstalige Gemeenschap moet bij referendum over zijn eigen institutionele toekomst kunnen beslissen. Duitstalig België kan bijvoorbeeld een eigen deelstaat worden in een confederaal België.

5.10) Is een Belgische confederale staat realistisch?

Ja, in staatskundige termen maakt het confederalisme het mogelijk om de deelstaten verregaande homogene bevoegdheden te geven en tegelijkertijd gemeenschappelijke belangen te behartigen (of beter gezegd: de nadelen van een splitsing te vermijden). Het is een realistisch en aanvaardbaar compromis tussen unitarisme en separatisme. De correcte vraag is echter: is een confederale staat ook politiek haalbaar? Zal er een politieke meerderheid voor te vinden zijn?

 

6. Voor- en tegenstanders

Het pleidooi voor een confederaal België is niet nieuw. Zoals gezegd, protesteerden de Vlamingen aan het Ijzerfront tijdens de ‘Groote Oorlog’ reeds tegen de discriminatie van de Vlaamse soldaten door de overwegend Franstalige officieren in het Belgisch leger. Ze verzamelden zich in de ‘Frontbeweging’ waarvan de ‘ruwaard’ Adiel De Beuckelaere, de intellectueel Hendrik Borginon en de literator Filip De Pillecyn de leiding opnamen. Het triumviraat vormde het brein van de vermaarde ‘frontbrieven’ die tot de bronnen van het zogenaamde IJzertestament behoren. De eerste van de drie pijlers van het testament was het zelfbestuur. Daaronder verstonden de frontleiders “een vrij Vlaanderen in een vrij België”. Met die slagzin streefden ze een Belgisch confederaal model na.

Tot de huidige bekende voorstanders van een Belgische confederale staat behoren tal van academici, ondernemers en Vlaamsgezinden in het verenigingsleven. Zo streven bijvoorbeeld de initiatiefnemers van het tweede Lentemanifest (13 april 2006) een confederale staatsstructuur na.[1] Voor hen moet de Belgische staat dus behouden blijven, maar wel worden afgeslankt tot die gemeenschappelijke noemer waarvoor er in beide grote gemeenschappen een democratische meerderheid bestaat. In het tweede Lentemanifest wordt gesteld: “Defederalisering is voor ons geen doel op zich. Maar het overhevelen van bevoegdheden naar de deelstaten gekoppeld aan financiële responsabilisering kan een antwoord zijn op de problemen en uitdagingen die op ons afkomen.”

In het zesde Gravensteenmanifest (17 mei 2010) ijverde ook de progressieve Gravensteengroep[2] voor “een staatshervorming die de structuren van deze staat confederaal maakt. Dit is een helder democratisch perspectief. Blijft men het negeren, dan zal op termijn niet alleen BHV, maar de hele staat gesplitst worden.”

Bij de Vlaamse politieke partijen genoot het confederalisme sterke bijval bij LDD al sinds haar ontstaan in januari 2007. LDD was geen separatistische partij: een confederaal België was voor LDD in principe het staatkundig eindobjectief. In het LDD-partijprogramma stond letterlijk: “We streven naar een zelfstandig Vlaanderen als lidstaat van een Belgische confederatie.”

Open VLD koos eveneens formeel op een congres in december 2002 voor confederalisme. Het was Jean-Marie Dedecker (toen nog Open VLD) die daarvoor pleitte en hiervoor een weliswaar nipte meerderheid behaalde op het congres. Dit ‘congres’ was trouwens een aanvullende congresdag omdat het ‘echte’ congres zijn agenda niet had afgerond. In november 2002 waren er meer dan duizend deelnemers. In december amper een driehonderdtal. Hiervan stemden 128 leden voor en 124 leden tegen confederalisme. Bij de partijleiding en vooral bij federaal parlementslid Herman De Croo was toen meteen de krasse uitspraak te horen dat dit “een vergissing” was, en dat ze het congres weigerden te volgen op dat punt. Bij het aantreden van de Alexander De Croo als voorzitter trad het confederalisme een tijd lang meer en meer op de voorgrond en ook de jongerenafdeling van VLD pleitte er toen openlijk voor. In de aanloop van de verkiezingen van 2010 stelde toenmalig Open VLD-voorzitter Alexander De Croo: “'Wij kiezen voor een confederale staat als eindstation en niet als tussenstation naar separatisme.” De huidige voorzitter, Gwendolyn Rutten, toonde zich eerst een voorstander, maar later een tegenstander van het confederalisme.

Sinds de aanloop naar de federale verkiezingen van 2010 bepleit ook de N-VA een confederale staatstructuur. Meer specifiek op 6 mei 2010, op een verkiezingsmeeting van die partij, riep N-VA-voorzitter Bart De Wever alle Vlaamse partijen op om aan één zeel te trekken na de verkiezingen en het confederalisme door te drukken. Aangezien artikel 1 van de N-VA-statuten nog steeds luidt “(…) In haar streven naar een beter bestuur en meer democratie kiest de Nieuw-Vlaamse Alliantie logischerwijs voor de onafhankelijke republiek Vlaanderen, lidstaat van een democratische Europese Unie” kan hieruit enkel worden geconcludeerd dat de N-VA een confederaal België enkel als tijdelijke tussenstap ziet in functie van het realiseren van een onafhankelijke Vlaamse staat. Dit wordt overigens met zoveel woorden bevestigd in een interview van 24 mei 2010 van Gazet van Antwerpen met federaal N-VA-fractieleider Jan Jambon: "De N-VA is en blijft bij de lijn die we altijd uitgezet hebben: wij zien finaal maar twee niveaus waar de staat aanwezig moet zijn", legt Jambon uit. “Dat is het Europees niveau en het Vlaamse niveau. Met het confederaal model zetten we nu een gigantische stap in die richting." In februari 2012 verkondigde De Wever om voluit voor confederalisme te gaan in 2014, de moeder van alle verkiezingen. Maar hij koos voor regeringsdeelname en 5 jaar communautaire stilstand. Na de verkiezingen van mei 2019 heeft N-VA het confederalisme terug op de tafel gelegd.

Ook CD&V pleit officieel voor confederalisme, maar – net zoals bij Open VLD - kon deze visie slechts doorgedrukt worden via een procedurele handigheid op een meerdaags congres in september 2001 in Kortrijk. De congrescommissie voor institutionele aangelegenheden hield over het confederalisme pas een stemming in de late uurtjes. Door een succesvolle mobilisatie werd het confederalisme door de daartoe vereiste tweederde meerderheid van de commissieleden op het Kortrijkse congres goedgekeurd. Volgens het congresreglement mocht er in dat geval over dit punt achteraf niet meer gestemd worden in de plenaire vergadering van het congres. Voordien had het partijbestuur nog met een grote meerderheid het confederalisme van de tafel geveegd. In het CD&V-programma voor de verkiezingen van 2007 wordt één en ander dan ook sterk genuanceerd. Er is sprake van een ‘confederale evolutie’, en een paar zinnen verder van ‘de keuze voor een verregaand ‘federalisme’: “Een confederale evolutie is nodig, met onder meer duidelijke afspraken over datgene waarvoor de federale overheid en datgene waarvoor de deelstaten voortaan bevoegd zijn. (…) CD&V kiest dus voor een verregaand maar verantwoordelijk federalisme, met behoud van de solidariteit met de Franstaligen.” Het heeft er dus alle schijn van dat de CD&V onder ‘confederalisme’ een ‘federalisme XL’ verstaat, kortom een federale staatsstructuur waarbij het zwaartepunt bij de deelstaten komt te liggen, maar waarin de federale staat het fundament vormt. In de krant De Standaard van 31 mei 2010 formuleert Pieter Marechal, oud-voorzitter van Jong CD&V het als volgt: "We kunnen in het huis blijven wonen, maar dan moet het wel dringend en grondig verbouwd worden. Een stevige staatshervorming is nodig om de fundamenten van het Belgisch huis te verstevigen."

Bij sp.a liggen de kaarten duidelijk anders. Geen enkel sp.a-parlementslid of -minister is voorstander van confederalisme. Alleen ex-minister Luc Van den Bossche, die de politiek verlaten heeft, was een confederalist van oudsher. Recent pleitte minister en professor constitutioneel recht Johan Vande Lanotte wel voor een Belgische confederale Unie met vier deelstaten.

Bij Groen vinden we een gelijkaardige situatie. Groen is tegen confederalisme behoudens enkele ex-VU’ers (Bart Staes, Geert Lambert). Voormalig Groen-jongerenvoorzitter en huidig federaal parlementslid Kristof Calvo gebruikte in De Standaard van 31 mei 2010 de beeldspraak dat men een Belgische tweewoonst wil, maar “met een gezamenlijke tuin”.

De PVDA (Partij van de Arbeid van België) verdedigt het Belgische unitarisme en telt dus geen confederalisten. Andere radikaal-linkse partijen nemen een soortgelijk standpunt in.

Uit deze officiële partijstandpunten zou men kunnen concluderen dat het streven naar een betere bevoegdheidsverdeling eerder een politiek ‘rechts’ verhaal is. Dat is echter niet per definitie zo, omdat regionalistische (en emancipatorische) partijen in andere Europese landen vaak ‘linkse’ partijen zijn: Schotland, Baskenland en Catalonië zijn maar enkele voorbeelden.

Het Vlaams Belang gelooft overigens evenmin in een confederalistische oplossing en kiest resoluut voor Vlaamse onafhankelijkheid. Op de VB-website staat te lezen: “Niet gespeend van een drang om zich stoer voor te doen, wordt door sommige Vlaamse politieke partijen gesproken over ‘confederalisme’ als oplossing voor België. Het Vlaams Belang meent echter dat dit tijdverlies is en wellicht vooral een middel om België te laten voortbestaan en de dynamiek van een Vlaamse onafhankelijkheid af te remmen.”

De politieke visies van de Vlaamse politieke partijen zijn dus verre van eenduidig. CD&V gebruikt de term ‘confederalisme’ als synoniem voor een ver doorgedreven federalisme, vermoedelijk omdat het woord ‘confederalisme’ radicaler klinkt dan ‘federalisme’. N-VA ziet een confederale staatsstructuur eerder als een tussenstap in functie van het realiseren van een onafhankelijke Vlaamse staat, vermoedelijk omdat ‘confederalisme’ minder radicaal klinkt dan ‘separatisme’. Vlaams Belang daarentegen kiest resoluut voor separatisme waardoor ze de facto een confederalistisch staatsbestel verwerpt. Open VLD weet het voorlopig nog niet.

Dat is de Vlaamse kant van het verhaal. Hoe zit het langs Waalse kant? Zijn er daar confederalisten?  In de officiële retoriek van de Franstalige partijen wordt het confederalisme verworpen. Ook de Franstalige publieke opinie lijkt niet voor het confederalisme gewonnen. Maar ook bezuiden de taalgrens rijpen de geesten, zeker bij de intellectuele elite. Zo zijn er verscheidene studies van vooraanstaande Waalse professoren zoals bijvoorbeeld de Luikse econoom Pestieau die wijst op de negatieve effecten van de transfers op de ondermaatse prestaties van de Waalse economie. En ook PS-boegbeeld Marcourt durft openlijk te stellen dat de toekomst van Wallonië niet in België, noch samen met Brussel ligt.

 

7. Slotbeschouwing

De woorden van Yves Leterme (uitgesproken op 14 juli 2008) zijn vandaag actueler dan ooit: “Het overlegmodel op louter federaal niveau heeft zijn limieten bereikt.” Twaalf jaar eerder stelde Guy Verhofstadt op het Oktobercongres in Antwerpen dat het Zuiden van België niet het recht heeft om Vlaamse welvaart en ontwikkeling tegen te houden. De afwijzing toen van een eigen Vlaamse fiscaliteit en sociale zekerheid “noodzaakt dat er zo snel mogelijk, liefst onmiddellijk een grotere autonomie komt voor Vlaanderen want België is een staat die zijn bestaansreden verliest.”

De huidige federale staatsstructuur en de daarmee gepaard gaande besluitvorming ontkent de realiteit dat Vlaanderen en Wallonië nu twee verschillende regio’s zijn met een totaal andere socio-demografische en economische structuur, andere maatschappelijke problemen en een andere overheidscultuur. Een grondige hervorming van onze staatsstructuur dringt zich dan ook op om de welvaart van de inwoners veilig te stellen.

Het Belgische verstandshuwelijk dreigt op de klippen te lopen. Over elk detail zijn er meningsverschillen en wordt er ruzie gemaakt. De beide partners begrijpen elkaar niet meer en blijven al jaren samen voor de kinderen. En dus is de vraag: proberen we dit huwelijk toch vergeefs te redden of gaan we scheiden? Toch hoeft het niet zover te komen. De Belgische partners kunnen ook getrouwd blijven en scheiden van tafel en bed. Dan kunnen ze hun eigen boontjes doppen, maar blijven ze wel getrouwd en zijn ze elkaar zorg en steun verschuldigd (in goede en slechte tijden, in rijkdom en armoede, in ziekte en gezondheid). Wat België nodig heeft, is een LAT-relatie (Living Apart Together). In een LAT-relatie regelen de partners de meeste zaken zelf (Apart), maar hebben ze toch bepaalde verplichtingen naar elkaar en de kinderen toe (Together). Concreet: ieder richt zijn leven in naar eigen goeddunken, maar zorgt voor wel voor de ander (solidariteit) en het gemeenschappelijke belang (Brussel) en treedt samen naar buiten (o.a. op internationale fora en in ambassades).

Eens de Vlamingen en de Walen de stap naar zo’n LAT-relatie (confederalisme) gezet hebben, valt meteen ook het spookbeeld van een kostelijke vechtscheiding (separatisme) voorgoed weg. Bovendien laat deze LAT-relatie in principe een co-ouderschap inzake Brussel toe. Een volwassen kind kan natuurlijk ook op eigen benen proberen te staan. Een confederatie met 4 deelstaten is dus ook mogelijk, bestaande uit Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Duitstalige Gemeenschap. Een zekere asymmetrie is dan wel nodig voor een efficiënt bestuur van de kleinere entiteiten. Solidariteit is wel een essentieel kenmerk van het confederalisme, want confederalisme zonder solidariteit leidt tot separatisme.

________________

 

 


[1] Ludo Abicht, Koen Algoed, Albert Baert, Raoul Bauer, Roger Blanpain, Carine Boonen, Yvan Bruynseraede, Herman Candries, Gui Celen, Richard Celis, Rita Cuypers, Jos Daniels, Luc De Bruyckere, Christine De Canniere-Meerts, Marc De Clercq, Johan De Graeve, Jan De Groof, William De Groote, Luc De Langhe, An De Moor, Johan De Muynck, Camiel De Ranter, August De Ridder, Luc De Schepper, Peter Degadt, Jozef Devreese, Antoon Dieusaert, Roger Dillemans, Willy Duron, Dirk Fransaer, Koen Geens, Georges Heeren, Dirk Heremans, Ria Janvier, Frank Judo, Jan Kerkhofs, Emiel Lamberts, Vaast Leysen, Bart Maddens, Katlijn Malfliet, Harry Martens, Herman-Emiel Mertens, Philippe Michiels, Philippe Muyters, Vic Nachtergaele, Guido Naets, Jef Nuttin, Herman Nys, Mieke Offeciers, Guido Peleman, Danny Pieters, Eric Ponette, Karel Rimanque, Jef Roos, Tine Ruyschaert, Luc Santens, Michaël Scheck, Paul Schoukens, Annick Schramme, Jaak Stokx, Matthias Storme, Robert Stouthuysen, André Van Assche, Hugo Van Damme, Jan Van Den Nieuwenhuijzen, Herman Van Der Wee, Paul Van Orshoven, Carlos Van Peteghem, Josse Van Steenberge, Jos Vandeputte, Urbain Vandeurzen, Louis Verbeke, Ludo Verhoeven, Willy Verstraete, Willy Winkelmans.

[2] Etienne Vermeersch (ere-vice-rector Universiteit Gent), Jan Verheyen (regisseur), Frans-Jos Verdoodt (em. prof. Utrecht, prof. Universiteit Antwerpen), Piet van Eeckhaut (gewezen voorzitter provincieraad Oost-Vlaanderen, sp.a), Jan Van Duppen (gewezen gemeenschapssenator en huisarts), Luc Van Doorslaer (docent Lessius, K.U.Leuven, journalist), Jef Turf (oud-vice-voorzitter KP), Johan Swinnen (prof. VUB, Hogeschool Antwerpen, Sorbonne), Hugo Stevens (historicus), Jean-Pierre Rondas (producer Klara), Brigitte Raskin (schrijfster), Yves Panneels (communicatieadviseur), Chris Michel, Bart Maddens (prof. K.U.Leuven), Karel Gacoms (ABVV-militant), Paul Ghijsels (voormalig journalist en ambtenaar), Pierre Darge (journalist), Paul De Ridder (dr. historicus, medewerker TV Brussel), Dirk Denoyelle (cabaretier), Peter De Graeve (prof. Universiteit Antwerpen), Eric Defoort (em. prof. K.U.Brussel), Jo Decaluwe (acteur-regisseur), Willy Courteaux (gewezen journalist), Jan Bosmans (arts, auteur), Tinneke Beeckman (dr. filosoof VUB), Ludo Abicht (voormalig prof. Universiteit Berkeley)

← Terug naar het overzicht