De kostendekkingsgraad van De Lijn, d.i. de verhouding tussen eigen inkomsten en uitgaven, moet omhoog. Daar is zowat iedereen het over eens. Ze bedraagt slechts 15% en dat is één van de laagste graden in Europa. De roep naar een hogere kostendekkingsgraad wordt vooral ingegeven door de huidige, krappe openbare financiën. De vraag is echter welk openbaar vervoer er overblijft na de besparingen? Wat is de mobiliteitsvisie van de Vlaamse regering? Daarover zou het politiek-maatschappelijk debat moeten gaan.
De huidige filosofie, destijds ontwikkeld door minister Stevaert (SP.a), bestaat uit een recht op basismobiliteit gekoppeld aan de individualisering van het collectieve vervoer. Het openbaar vervoer wordt op maat van de individuele klant aangeleverd tot in de kleinste uithoek. De belbus is hiervan een sprekend voorbeeld. Deze filosofie ligt nu onder vuur wegens te duur - al werd ze destijds mee goedgekeurd en mogelijk gemaakt door de hardste schreeuwers van nu. Daarenboven is deze aanpak er nooit in geslaagd om de fijnmazigheid (van deur tot deur) van het individueel vervoer (fiets, auto) te evenaren. Daarom kiezen de burgers nog steeds massaal voor de auto – ondanks de files op de collectieve autosnelwegen. De tijdswinst zit immers in de fijnmazigheid nà de file.
De Vlaamse regering moet dit jaar honderden miljoenen euro’s besparen om het gat in haar begroting 2012 dicht te rijden. Ook De Lijn zal een duit in het zakje moeten doen. De traditionele partijen (CD&V, N-VA, VLD) zien vooral heil in (1) de verhoging van de tarieven, (2) de afschaffing van gratis abonnementen en (3) de opheffing van enkele buslijnen. Aldus passen ze de “kaasschaafmethode” toe en stellen de huidige mobiliteitsfilosofie niet in vraag. De tijd van halfslachtige maatregelen is echter voorbij. Ook besparen moet een finaliteit hebben dat meer is dan wat financieel gecijfer.
Volgens het huidige Decreet op de Basismobiliteit heeft elke Vlaming “recht” op een halte van het openbaar vervoer binnen een straal van 500 meter van zijn woning. Mobiliteit is echter geen “recht” op zich, maar wordt afgeleid uit het recht op werk, onderwijs en zorg. Basismobiliteit zou geherdefinieerd kunnen worden als het recht op vervoer om te werken, te leren, te zorgen en verzorgd worden.[1] Hiervoor kan de overheid gesubsdieerd vervoer aanbieden. Vervoer voor andere activiteiten wordt dan aan kostprijs georganiseerd. Als De Lijn zich in deze filosofie inschrijft, dan moet ze zich omvormen van een trajectgerichte naar een activiteitengebaseerde openbare vervoersorganisatie. Deze nieuwe filosofie leidt niet enkel tot besparingen, maar ook tot een nieuw draagvlak voor De Lijn.
Het vervoersbeleid in Vlaanderen vergt dus een fundamentele hervorming dat rekening houdt met de moderne manier van leven vol activiteiten (werk, school, boodschappen, ontspanning). Op korte en middellange afstand vraagt de burger daarom een fijnmazig vervoer dat enkel door de fiets en de auto kan worden aangeleverd. De toegang tot het individueel vervoer moet dan ook verlaagd worden. Op langere afstand en tussen steden is het wel zinvol om collectief vervoer (trein) te organiseren.
Concreet wil LDD het bezit en het gebruik van de auto goedkoper maken door de verlaging van de autogerelateerde belastingen (BIV, verkeersbelasting, accijnzen). Wel moet sterker worden ingezet op de commercialisering van de electrische auto o.m. door slimme regelgeving. Ook de files moeten worden aangepakt door verkeersmanagementsystemen en uitbreiding van de wegcapaciteit (o.m. gebruik van pechstroken). Het huidige, gesubsidieerde bus- en tramaanbod van De Lijn moet worden afgestemd op werk-, school- en zorgverkeer. Zorgbehoevenden (i.h.b. sociaal zwakkere) hebben recht op een taxicheque. Andere vervoersactiviteiten worden marktconform uitgevoerd. Bereikbaarheid van commerciële centra voor shopping is bvb. een taak van die centra zelf. Op lange termijn moet de subsidie van De Lijn vervangen worden door een vraagsubsidie van de reiziger. Die kan zijn zogenaamde mobiliteitscheques dan gebruiken voor de aankoop van brandstof (benzine, electriciteit), taxidiensten, tram-, bus- of treinvervoer.
[1] Het recht op mobiliteit zou ook gedefinieerd kunnen worden als het recht om zich vrij over het grondgebied te verplaatsen (zonder tollen) of het recht om binnen een redelijke tijdspanne een bestemming te bereiken (zonder files).