Bezoek academische website Lode Vereeck Lode Vereeck

De factcheckers van de SP.a: ‘Bart De Wever is met de post-truthpolitiek begonnen’

woensdag 15 maart 2017  Walter Pauli

Ze kregen de naam de werkelijkheid geweld aan te doen, en dus liepen N-VA-toppers als Johan Van Overtveldt, Liesbeth Homans en Zuhal Demir reputatieschade op. Twee onbekende studiekoppen van de SP.A, Inti Ghysels en Ben Segers, brachten hen in verlegenheid. ‘De N-VA heeft de waarheidsverdraaiing tot een hoger niveau gebracht.’

Studiediensten zijn terug van weggeweest. Tien jaar geleden hadden de meeste Vlaamse partijen ze afgebouwd, telkens weer ten voordele van het hippere departement communicatie. Alleen de PS-toppolitici bleken bij onderhandelingen nog over een politieke helpdesk van formaat te beschikken: het Institut Emile Vandervelde (IEV). De inhoudelijke inbreng van het IEV maakte in 2010 zo’n indruk op Bart De Wever dat de N-VA haar studiedienst volgens hem maar beter kon uitbouwen tot een vlaggenschip voor policy making .

Ook de SP.A herontdekte het belang van een slagkrachtige studiedienst. De Vlaamse socialisten maakten van de nood een deugd toen ze in 2014 in de oppositie belandden en geen kabinetten meer hadden. Kabinetschef Jan Cornillie werd de nieuwe directeur van de SP.A-Studiedienst. Zijn team werkt vandaag als het feitelijke kabinet van partijvoorzitter John Crombez en ondersteunt de SP.A-fracties en -parlementsleden bij hun oppositiewerk. Anders dan vroeger beperkt het zich niet tot intern advies. De studiedienst 2.0 is een moderne oorlogsmachine.

Dat bleek vorig jaar voor het eerst toen minister van Financiën Johan Van Overtveldt op de huid gezeten werd door Inti Ghysels, de specialist financiën en fiscaliteit van de SP.A. Taai en bepaald ongenadig trekt Ghysels de prestaties van het kabinet Financiën in twijfel in onafgebroken reeksen tweets en in meer doorwrochte bijdragen op #defeiten , de collectieve blog van de SP.A-studiedienst. Ghysels’ titels liegen er niet om: ‘Het enige structurele aan deze begroting is de lucht die erin zit’, ‘Onkunde of oplichting: de rekening van Johan Van Overtveldt klopt niet’, ‘Johan – it wasn’t me – en het gat in de begroting’ enzovoort. Door dat aanhoudende gebeuk raakte Van Overtveldt niet af van zijn reputatie als ‘minister die niet kan tellen’. In het najaar van 2016 leek de schade zo groot dat het verhaal de ronde deed dat zijn toekomst als minister aan een zijden draadje hing. Uiteindelijk moest staatssecretaris Elke Sleurs het terrein overlaten aan Zuhal Demir en bleef Johan Van Overtveldt minister.

Dat gebeurde ook al omdat, met Ghysels’ collega Ben Segers aan het kanon, de focus ondertussen was verlegd van Van Overtveldt naar een aantal van zijn N-VA-collega’s. Segers’ jongste tweets zijn torpedo’s die politieke tegenstanders vlak onder de waterlijn treffen. In één week tijd schoot hij onlangs zelfs driemaal raak. Hij zette de kersverse staatssecretaris Zuhal Demir voor schut door de aandacht te vestigen op haar overhaaste en dus foute aanval op het gelijkekansencentrum Unia. Tegelijk onderstreepte hij dat Vlaams minister Liesbeth Homans uit haar nek kletste, niet alleen over Unia maar ook over migranten en vluchtelingen. Een dag ervoor had Theo Francken, na kritiek van Segers, erkend dat hij betere cijfers had moeten verstrekken over de verblijfsretributie voor vluchtelingen. De staatssecretaris toonde zich opvallend grootmoedig: ‘Ik had me vergist en heb het rechtgezet. Goed opgemerkt. Je houdt ons scherp. Bedankt daarvoor.’

BEN SEGERS: (glunderend) Natuurlijk was ik tevreden, maar het had nog wat meer mogen zijn. Ik was ontgoocheld omdat Zuhal Demir, na de eerste storm van kritiek, in verschillende kranteninterviews niet één keer meer was gewezen op de feitelijke onwaarheden die ze had verteld. We mogen best strenger zijn voor regeringsleden die een loopje met de waarheid nemen. In mijn nota’s voor Johan Vande Lanotte, SP.A-vicepremier van 2011 tot 2014, moest ik destijds niet afkomen met de flou artistique die sommige ministers zich vandaag in het parlement veroorloven – en waarmee ze nog wegkomen ook.

INTI GHYSELS: Op het kabinet van Vande Lanotte en hier op de studiedienst zijn we inderdaad zo gekweekt. De stelregel was: ofwel beheers je een dossier tot in de puntjes, ofwel studeer je nog een paar dagen langer. In deze regering mag het wat minder juist zijn.

SEGERS: Ik herinner me dat ik tijdens de onderhandelingen over de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde ’s avonds een dikke, doorwrochte nota naar Vande Lanotte had doorgestuurd. Als bijlage had ik wetsontwerpen toegevoegd, en in een voetnoot had ik naar een advies van de Raad van State verwezen. De volgende ochtend hadden we al om 7 uur overleg: Johan had niet alleen mijn nota gelezen, hij had ook aantekeningen gemaakt bij de wetsontwerpen en op het afgedrukte advies van de Raad van State. Pas dan werd er gediscussieerd.

GHYSELS: Men werpt ons soms voor de voeten dat we met dat gebakkelei over cijfers en procenten niet de hoofden en harten van de mensen veroveren. Maar we kunnen het publiek zo wél duidelijk maken wat er aan het gebeuren is. Door, met cijfers in de hand, halve waarheden en hele leugens te doorprikken, stellen wij de vraag of een minister eerlijk en betrouwbaar is. Daaraan hechten mensen belang: ze willen geen politici die hun om het even wat vertellen.

Is het geen trend om het politieke debat te herleiden tot een discussie over feiten? Verkiezingsprogramma’s worden nagerekend op hun betaalbaarheid, en alle media voeren factcheckers op om de politici bij de les te houden.

GHYSELS: Een verkiezingscampagne zal nooit draaien rond de cijfers zelf. Maar als universiteiten de kostprijs van een aantal verkiezingsbeloften narekenen, brengt dat een zekere hygiëne in het debat. Het behoort tot ons vaste takenpakket om dossiers voor te bereiden voor de voorzitter en de parlementsleden. Je merkt iets op waarvan je intuïtief aanvoelt: ‘Dat klopt niet’, en dan trek je dat na. Een flink deel van ons werk blijft erin bestaan om onze partij van munitie te voorzien. Maar als er in het weekend plots iets gebeurt, kun je moeilijk zondagavond nog een persconferentie organiseren. Dan is Twitter een geschikter medium, ook al is dat veeleer een aanvulling bij ons echte werk.

Twitter is een café, en u serveert fluks de fris getapte pinten.

GHYSELS: Voilà. En dan maar hopen dat er af en toe zo’n glas gedronken wordt. (grijnst)

Vroeger moest de studiedienst een stevige nota schrijven, die de communicatiedienst dan vertaalde in een perstekst. Nu schiet u zelf vanuit de heup.

SEGERS: In de hele samenleving neemt de spontane verontwaardiging toe, dus ook op Twitter. Eind februari verscheen op Knack.be een artikel over Liesbeth Homans: de minister viel Unia aan met gegevens uit een studie die ze totaal verkeerd interpreteerde. Vervolgens deelde ze dat artikel op Twitter, en werd het op alle mogelijke sociale media geshared – dat is die dag niet minder dan tweeduizend keer gebeurd, geen enkel artikel deed beter. Fijn, want intussen hadden mijn tweets hun weg naar datzelfde artikel gevonden: de redactie van Knack.be zorgde voor de ene update na de andere. Uiteindelijk had Homans reclame gemaakt voor een stuk waarin haar eigen uitleg netjes werd doorgeprikt. Dat was de basis voor de strenge beoordeling van haar uitspraken in de maandageditie van alle kranten. De algemene teneur was dat de minister een loopje met de werkelijkheid had genomen. Dat was funest voor haar reputatie, en dat kwam inderdaad door ons werk. Je kunt ons toch niet verwijten dat wij alert zijn?

Is het niet populistisch voor een studiedienst om Johan Van Overtveldt te blijven stigmatiseren als ‘de minister die niet kan rekenen’. Dat kan hij natuurlijk wél.

GHYSELS: Of Van Overtveldt al dan niet kan tellen, doet er niet toe. Ik moet nu al maanden vaststellen dat de rekening niet klopt. Hij blijft dat ontkennen, terwijl daarover in mijn ogen geen enkele discussie mogelijk is. Fout is fout: dáár gaat het om.

U hebt zelf op een kabinet gewerkt. U weet uit eigen ervaring dat niet alles wat gecommuniceerd wordt de werkelijkheid helemaal benadert.

GHYSELS: Natuurlijk is de N-VA niet de eerste regeringspartij die de zaken rooskleuriger voorstelt dan ze zijn. Maar ze heeft de waarheidsverdraaiing wel tot een hoger niveau gebracht dan we gewend waren.

Kijk, in wezen is het doodnormaal dat een begroting in de loop van het jaar wordt bijgesteld. Waarvoor dienen anders de begrotingscontroles? Bovendien weet iedereen dat een begroting opstellen geen exacte wetenschap is. Wie de economische conjunctuur exact kan voorspellen, werkt niet op een kabinet of op het Federaal Planbureau. Die verdient een fortuin op de beurs.

Minister Van Overtveldt had rustig kunnen uitleggen waarom hij de oorspronkelijke begrotingsdoelstellingen niet heeft gehaald. Fair enough , want dan kunnen we over de echte oorzaken discussiëren. Was het de conjunctuur die tegenviel of heeft de regering soms steken laten vallen? Maar dat debat gaat Van Overtveldt uit de weg, door halsstarrig vol te houden: ‘Ik zit op koers.’ De zogenoemde ‘begrotingsdoelstellingen’ waarnaar zijn kabinet verwijst, dateren van november 2016. Twee maanden later zei hij: ‘Vorig jaar heb ik mijn doelstellingen wel gehaald.’ Komaan. Als ik mijn vrouw ’s morgens beloof dat ik tegen ’s avonds de zolder, de garage en de keuken zal hebben opgeruimd, en om 16 uur sms ik haar snel dat alleen de garage klaar is, kom ik met die uitleg ook niet gemakkelijk weg.

Door te doen alsof alles in orde is, vermijdt de minister de vraag waarom de begrotingsdoelstellingen niet zijn gehaald. En hoe dat had kunnen worden vermeden. Want het non-beleid van Van Overtveldt blijft niet zonder gevolgen. Bij elke controle stelt de regering vast dat ze minder geld in kas heeft dan ze enkele maanden eerder had voorzien. Vervolgens lonkt ze dan maar naar de sociale zekerheid om de rekeningen toch te doen kloppen. Ik geloof niet meer in toeval. Hoe langer dat spelletje duurt, hoe meer ik een systematiek zie in zijn uitleg: telkens als Van Overtveldt zegt dat hij geen fout heeft gemaakt, is de logische conclusie dat het ándere ministers moeten zijn die hun werk niet hebben gedaan en de uitgaven hebben laten ontsporen.

Sinds de verkiezing van Donald Trump heeft iedereen het over ‘post-truth politics’. Er is blijkbaar een maatschappelijke context ontstaan waarin politici de waarheid zonder veel schaamte kunnen verdraaien. Het maakt niet uit, hun eigen kiezers geloven hen toch.

SEGERS: De N-VA heeft Trump niet afgewacht om soortgelijke communicatietechnieken toe te passen. Een kantelpunt waren toch wel de beweringen van minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon over de vreugde om de aanslagen van 22 maart 2016 bij een ‘significant deel’ van de moslims. De ene keer had hij het over ‘dansende moslims’, de andere keer over ‘straatfeesten’. Als we dat allemaal spreekwoordelijk moeten begrijpen, is het hek van de dam.

Maar zelfs Jambon was niet de eerste. In wat de federale en de Vlaamse ministers durven te zeggen, echoot een discours dat het huidige Antwerpse stadsbestuur al langer hanteert. Burgemeester Bart De Wever is daar als eerste begonnen met die post-truth politics: het verspreiden van flagrante onwaarheden. Neem de beruchte verkeersveiligheidscampagne van zijn bestuur. Bij de voorstelling werden zwakke weggebruikers onbeschaamd met de vinger gewezen: vooral zij zouden zich onverantwoord gedragen in het verkeer – fietsers zouden en masse over de voetpaden rijden enzovoort. Dat werd allemaal gestaafd met cijfers. SP.A-gemeenteraadslid Toon Wassenberg heeft zich de moeite getroost om die na te trekken. Er bleek niets van te kloppen. In amper 0,5 procent van het totale aantal overtredingen ging het bijvoorbeeld over fietsers op het voetpad. Die campagne is dan ook ingetrokken.

Hoe groot is uw identificatie met de SP.A en met voorzitter John Crombez?

SEGERS: Ik identificeer me voor 100 procent met de SP.A. Zeker weten. Niet dat ik elke kritiek op de SP.A bij voorbaat onterecht vind. Maar zelfs dan is mijn eerste reflex: ‘Hoe kunnen we dat veranderen, opdat de partij er beter van wordt?’ ’s Morgens, bij het eerste papflesje, zit ik op het elektronische krantenarchief Gopress al na te gaan of Theo Francken of Liesbeth Homans de pers hebben gehaald – en zo ja: wat wij daartegen kunnen doen.

Tijdens het flesje?

SEGERS: Inderdaad. (lacht) Ik geef toe: soms is de politiek wel zeer invasief in ons privéleven. Ik speel amateurvoetbal bij Sporting Vremde. Op een zondag in volle BHV-crisis zie ik tijdens de rust op mijn mobiel dat ik dringend contact moet opnemen met Johan Vande Lanotte. Ik sprint van de kleedkamer naar de kantine, ga zitten in een rustig hoekje, noteer op een servet het laatste BHV-schema, en raak maar net op tijd op het veld voor de tweede helft. Dat is al meer dan vijf jaar geleden, maar nog altijd verslijten mijn vrienden en ploegmaats mij voor gek.

GHYSELS: Ik kijk ’s avonds liever naar het voetbal dan op de sofa nog een nota te lezen. Maar ook ik ben een overtuigde socialist. Ik kan me niet voorstellen dat ik in een andere partij actief zou zijn dan de SP.A. Zeker, het is hard werken, maar het helpt dat je voelt: ik trek met gelijkgestemde zielen in één team aan de kar van de goede zaak.

U maakt deel uit van een gloednieuwe studiedienst, maar tegelijk staat u in een lange sociaaldemocratische traditie. Hebt u nog contacten met de brains van de vorige generaties, zoals Frank Vandenbroucke of Mark Elchardus?

SEGERS: Jan Cornillie, onze directeur, heeft een open lijn met Mark Elchardus.

GHYSELS: Ik ben er zeker van dat ook Frank Vandenbroucke gevraagd wordt wat hij van bepaalde problemen denkt. Maar minstens zo belangrijk is dat wij ook luisteren naar mensen van buiten onze eigen partij. Ik heb goede contacten met mijn collega’s bij de studiedienst van het ABVV, maar ook met de man die voor Unizo de fiscale dossiers opvolgt. Over fraudebestrijding praat ik zowel met mensen van de Bijzondere Belastinginspectie als met fiscale advocaten, ook al staan die zogezegd aan de andere kant. Dat is de enige manier om een probleem in al zijn aspecten te leren kennen.

Het valt mij dan telkens weer op hoeveel eensgezindheid er bestaat over de zogenoemde hete hangijzers. Bijna iedereen, bij links en rechts, vindt dat de fiscaliteit eenvoudiger en efficiënter moet. Dat we moeten streven naar een nieuw belastingstelsel, met een brede financieringsbasis maar ook met lagere aanslagvoeten. Natuurlijk verschillen we van mening over de vraag hoe hoog de belastingen moeten zijn, of hoe groot het overheidsbeslag. De knelpunten zitten minder in de technische aspecten dan in de grote maatschappelijke vraagstukken.

Tot slot: zijn er politici in andere partijen naar wie u stilletjes opkijkt?

GHYSELS: In alle partijen lopen er mensen rond die ik apprecieer. Ik ben het meestal oneens met Europarlementslid Sander Loones (N-VA), maar ik vind wel dat hij zijn dossiers kent en zijn standpunt intelligent verwoordt.

SEGERS: Ik heb de vrije tribune van Meyrem Almaci (Groen) en Gwendolyn Rutten (Open VLD) over de Internationale Vrouwendag graag gelezen. En natuurlijk blijft Lode Vereeck (Open VLD) een uitstekende politicus.

Knack, pag. 10.

← Terug naar het overzicht