Bezoek academische website Lode Vereeck Lode Vereeck

Personenbelasting blijft in ons land een loden last

donderdag 17 mei 2018  Alain Mouton

Ondanks de verlaging van de personenbelasting, die dit jaar op kruissnelheid komt, wordt het inkomen van een Belgische werknemer nog altijd zeer snel tegen het hoogste tarief van 50 procent belast. Wordt een nieuwe hervorming met lagere tarieven een prioriteit tijdens de volgende legislatuur?

Het zal voor de regeringspartijen even schrikken geweest zijn toen de OESO haar jaarlijkse rapport over de fiscale druk op de lonen publiceerde. Het vuistdikke Taxing Wages 2016-2017 leert dat een alleenstaande werknemer in België een belastingdruk van 53,7 procent torst. Anders gezegd: van elke 100 euro die een werkgever uitgeeft aan loonkosten, blijft netto 46,3 euro over voor de werknemer. België staat daarmee nog altijd op een weinig benijdenswaardige eerste plaats van de EU-landen. Duitsland (49,7 % belastingdruk) en Frankrijk (47,6%) volgen op respectabele afstand.

De loodzware belastingdruk op arbeid is in belangrijke mate (31 procentpunt) een gevolg van de hoge sociale bijdragen. Maar ook de hoge inkomensbelasting (21 procentpunt) valt op, leert het onderzoek. Hebben de taxshift en de hervorming van de personenbelasting dan zo weinig opgeleverd?

Premier Charles Michel (MR) liet weten dat de belastingdruk in geen enkel ander land in Europa recentelijk zo sterk gedaald is. In 2011 bedroeg de fiscale druk voor de alleenstaanden nog 56,09 procent. Volgens minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) is de impact van een aantal hervormingen nog niet af te lezen uit de OESO-cijfers. Zo is de eerste fase van de verlaging van de personenbelasting (deel twee van de taxshift, na de verlaging van de sociale bijdragen) pas vanaf januari 2018 doorgevoerd. De belastingschaal van 30 procent wordt geschrapt, de belastingplichtigen komen minder snel in de schaal van 45 procent terecht en de belastingvrije som wordt opgetrokken. Die gaat van 7130 voor de inkomsten uit 2016 naar 7270 euro voor de inkomsten uit 2017. In 2019 wordt de schijf van 40 procent nogmaals verbreed.

De hr-dienstverlener SD Worx berekende dat iemand met een brutoloon van 2000 euro sinds 1 januari 2018 netto 45,27 euro meer overhoudt. Zijn nettoloon stijgt van 1522,51 euro naar 1567,78 euro. Voor hogere lonen zijn die stijgingen minder hoog, maar voor iemand met een inkomen van 5000 euro is de nettobonus nog altijd 39,85 euro.

“Het klopt dat een aantal belastingverlagingen die deel uitmaken van de taxshift nog niet in de cijfers terug te vinden zijn, maar de verlaging van de personenbelasting is wel een feit”, zegt Stijn Decock, de hoofdeconoom van de werkgeversorganisatie Voka. “Dat proces zal in 2020 afgerond zijn. Dat belet niet dat België nog altijd een probleem heeft met de hoge belastingdruk op arbeid. Dan hebben we het niet alleen over de sociale bijdragen op het loon, maar ook over de personenbelasting, die een belangrijk deel van het inkomen uit arbeid blijft afromen. De taxshift heeft de fiscale druk met een paar procentpunten naar beneden gehaald, terwijl we eigenlijk in een ordegrootte van twee cijfers zouden moeten zitten. Wat weinig belicht wordt, is de enorme progressiviteit van ons stelsel. Ook andere landen hebben een maximaal marginaal tarief van 50 procent, maar in België bereik je dat gewoon veel sneller. Dat maakt dat de geschoolde arbeider merkt dat zijn inkomen al snel tegen 50 procent wordt belast. Dat valt enorm op als je het vergelijkt met andere landen.”

 

Een vlaktaks van 50 procent?

Aan dat hoogste belastingtarief verandert met de recente belastinghervorming van de regering-Michel niets. Iemand met een jaarlijks netto belastbaar inkomen van 38.030 euro komt in de schijf van 50 procent terecht. Dat is iets meer dan het mediaaninkomen. Met een netto belastbaar inkomen van 12.750 euro val je al onder het tarief van 40 procent. Het gemiddelde netto belastbaar inkomen van de Belg bedraagt 17.698 euro. Zowat de helft van de werkenden wordt dus tegen de hoogste tarieven belast. Het verhaal van de hoge Belgische vlaktaks van 50 procent geldt nog altijd.

Het hoge marginale tarief (in realiteit 53,5 % als we de gemeentebelastingen erbij tellen) maakt dat de Belgische nettolonen lager liggen dan die van andere Europese werknemers, zo blijkt uit de jaarlijkse salarisstudie van Deloitte. Het toptarief van 50 procent bestaat ook in Nederland, Zweden, Portugal en Denemarken, maar in Zweden moet je een inkomen van bijna 50.000 euro hebben vooraleer je tegen het hoogste tarief wordt belast. In Nederland en Denemarken is de grens 70.000 euro en in Portugal zelfs 250.000 euro.

“De huidige personenbelasting weegt vooral op de middengroep, die veel mensen omvat die in de exportindustrie werken”, zegt Stijn Decock. “Multinationals kunnen die vergelijking gemakkelijk maken en dan blijven de verschillen met onze buurlanden opvallen. Bij ArcelorMittal in Gent bijvoorbeeld zijn de nettolonen even hoog als in Duinkerke, maar de belastingen op dat loon zijn hier 10 tot 15 procent hoger. Een ander element is dat de sociale bijdragen hier niet geplafonneerd zijn. In andere landen is dat wel het geval. De socialezekerheidsbijdrage blijft constant. Dat is een zware belasting op hogere lonen.”

Lode Vereeck, hoogleraar overheidsfinanciën aan de Universiteit Hasselt en senator voor Open Vld, verdedigt de hervormingen van de regering-Michel: “Je moet het geheel zien: de lastenverlagingen via de sociale bijdragen en de hervorming van de personenbelasting doen de fiscale druk wel degelijk afnemen. Die maatregelen hebben de verwachte effecten: er komen meer banen bij. Volgens de modellen van het Planbureau is van de 200.000 banen extra een derde te danken aan de taxshift. Dus een 70.000 tot 80.000 banen.”

Vereeck erkent wel dat het Belgische stelsel een sterke progressiviteit kent. “Progressiviteit is op zich natuurlijk niet problematisch”, benadrukt hij, “Het is noodzakelijk omdat het de technische vertaling van het draagkrachtbeginsel is. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Maar te veel is te veel. Een marginaal tarief van 50 procent is ontmoedigend. Al betaalt natuurlijk niemand 50 procent op zijn inkomen. Het laagste deciel betaalt -2 procent belastingen en het hoogste deciel betaalt bijna 35 procent belastingen. Dat is het gevolg van allerlei aftrekken, maar ook omdat je op het eerste deel van je inkomen geen belastingen betaalt, op het tweede deel een laag tarief enzovoort. Het hoogste inkomensdeciel betaalt wel 45 procent van alle belastingen. De rijkste 20 procent betaalt 66 procent van alle belastingen.”

 

Nederland als referentie

Open Vld kwam eind vorig jaar op een congres met een nieuw voorstel: een uniek tarief van 30 procent boven het belastingvrije deel van de inkomsten. Het wordt de sociale vlaktaks genoemd. Het kreeg meteen kritiek als zou het onbetaalbaar en asociaal zijn. “Dat klopt niet”, zegt Vereeck. “Hoewel er maar één tarief is, is de gemiddelde fiscale druk progressief door het belastingvrije minimum. Dat laatste trekken we op richting 1115 euro, de armoedegrens. Die belastingvrije som zorgt ervoor dat de gemiddelde belastingdruk geleidelijk stijgt van 0 procent voor wie de belastingvrije som verdient, naar 10 procent, 15 procent, 20 procent, 24 procent tot uiteindelijk 30 procent voor wie heel veel verdient. Dat noem ik een progressieve fiscale druk.”
Maar tegelijk rijst ook de vraag van het prijskaartje. “Per 1000 euro dat we het belastingvrije minimum verhogen, kost dat de schatkist tussen de 1,6 en 1,8 miljard euro. Dat is de duurste maatregel die je kan nemen”, geeft Vereeck toe. “Het optrekken van de belastingvrije som zal al snel snel 8 tot 9 miljard euro kosten. En dan hebben we het nog niet over de verlaging van de tarieven. Maar tegelijk verdwijnen allerlei aftrekposten en zo’n belastingverlaging is een kans om de overheidsuitgaven te doen dalen door te bezuinigen. Het doel moet 45 procent van het bruto binnenlands product zijn, zoals in Nederland.”

Nederland heeft de voorbije maanden inderdaad niet stilgezeten. De regering van VVD, D66, CDA en Christenunie voert vanaf 2019 een ingrijpende hervorming van de inkomstenbelasting door. Het gaat van vier naar twee belastingschijven: een laag tarief van 36,96 procent en een hoog tarief van 49,5 procent. Wie minder dan 68.800 euro per jaar verdient, zal nooit meer dan 36,93 procent inkomstenbelasting betalen. Concreet houdt dat bijvoorbeeld in dat iemand met een bruto jaarsalaris van 40.000 euro kan rekenen op een belastingverlaging van 1200 euro.

Moet België hetzelfde doen? Decock: “Dat weet ik niet, maar een vereenvoudiging van de belastingschalen die de fiscale druk doet dalen, is altijd een goede zaak. Ik denk dat je eerst moet kijken naar de progressiviteit. Met een hoger belastingvrij minimum moet je opletten. Laaggeschoolden die promotie maken, merken dat dan niet snel. Ze verliezen fiscale voordelen en komen in een hogere belastingschaal, waardoor ze hun nettoloon amper zien stijgen. Die promotieval wordt vaak onderschat.”

Het zijn elementen die maken dat een grondige hervorming van de personenbelasting niet in een handomdraai kan worden geregeld. De hervorming van de vennootschapsbelasting had al heel wat voeten in de aarde. En het ging om 16,8 miljard euro of 4 procent van het bbp. Ter vergelijking: de inkomsten uit de personenbelasting bedragen 44,3 miljard euro of 11 procent van het bbp. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt heeft aan de Hoge Raad van Financiën de opdracht gegeven tegen eind 2018 een voorstel uit te werken voor een grote hervorming van de personenbelasting. Als dat rapport er tegen dan ligt, zal de personenbelasting zeker een onderdeel worden van de verkiezingscampagne voor 2019.

Trends, pag. 16-19.

← Terug naar het overzicht