Bezoek academische website Lode Vereeck Lode Vereeck

No tax shift without tax limit

zondag 16 november 2014

 

Soziale Marktwirtschaft

 

Het Belgisch economisch systeem is gebouwd op de principes van de sociaal en ecologisch gecorrigeerde markteconomie. De soziale Marktwirtschaft staat niet synoniem voor een ongebreideld kapitalisme, maar voor een vrije markteconomie gecombineerd met sociale vooruitgang en duurzaamheid.

 

De sociale bescherming bestaat enerzijds uit de federale sociale verzekeringen voor inkomensrisico’s (ziekte, werkloosheid, ouderdom) en anderzijds uit de regionale welzijnsvoorzieningen (ouderenzorg, kinderopvang, kinderbijslag). De overheden in ons land voorzien ook een basisinfrastructuur (wegen, kanalen, nutsvoorzieningen) en zorgen voor een goed uitgebouwd onderwijssysteem. De rechtsstaat zorgt voor de noodzakelijke bescherming van de persoonlijke integriteit en het eigendomsrecht en voor de handhaving van contractuele verplichtingen en aansprakelijkheid. Deze publieke voorzieningen en het rechtskader scheppen de voorwaarden om economisch actief te zijn. Deze overheidstaken worden gefinancierd door belastingen, retributies, premies, niet-fiscale ontvangsten en leningen.

 

 

Optimaal overheidsbeslag

 

Het aandeel van de overheid in de economie vormt het zogenaamde overheidsbeslag. De overheid staat dus in voor het rechtssysteem en de publieke voorzieningen, maar de basis van de soziale Marktwirtschaft blijft uiteraard de Marktwirtschaft waarin de private sector voor de creatie van toegevoegde waarde zorgt. Het overheidsbeslag in een soziale Marktwirtschaft kan dus redelijkerwijze nooit meer dan de helft van het bruto binnenlands product bedragen.

 

Zodra de overheid zich meer dan de helft van de geproduceerde middelen toeëigent, is er niet langer sprake van een soziale Marktwirtschaft, maar van een freie Staatswirtschaft, een commercieel gecorrigeerde staatseconomie. Een sociaal en ecologisch gecorrigeerde markteconomie valt dus niet te rijmen met een overheidsbeslag van meer dan 50% van bbp.

 

Als maatstaf voor het overheidsbeslag dient dus het aandeel van de overheidsuitgaven in het bruto binnenlands product (bbp). In de periode 2002-2008 schommelde het overheidsbeslag in België rond de 50%. In 2012 bereikte het een piek van 55,1%; in 2013 bedroeg het 54,5% van het Belgische bbp.[1] Cijfers van Eurostat (2013) leren dat in de EU-28 enkel Denemarken, Finland, Frankrijk, Griekenland en Slovenië een hoger overheidsbeslag kennen. In Duitsland bedraagt het overheidsbeslag 44,7%.

 

Tabel 1: Overheidsbeslag (% bbp)[2]

 

 

2002

2007

2012

2013

België

49,8

48,2

55,1

54,5

Duitsland

47,9

43,5

44,7

44,7

Frankrijk

52,9

52,6

56,7

57,1

Nederland

46,2

45,3

50,4

49,8

EU27

46,6

45,5

49,4

49,1

Eurozone

47,6

46,1

50,0

49,8

 

 

Met het beslag dat de overheid legt op nationale inkomen financiert ze de sociale bescherming, de publieke voorzieningen en het rechtssysteem. Er is dus niets mis met het overheidsbeslag op zich, maar er is een keerzijde. De uitgaven van de overheid worden vooral, maar niet uitsluitend, gefinancierd door belastingen. Een hoge fiscale en parafiscale druk op de toegevoegde waarde ondermijnt de rendabiliteit en concurrentiekracht van onze bedrijven. Het zorgt ervoor dat bedrijven hier wegtrekken en dat jobs verloren gaan.

De vraag is dan ook: hoe groot mag het overheidsbeslag zijn? Volgens de Leuvense hoogleraar openbare financiën, prof.dr. Wim Moesen, bedraagt het optimale overheidsbeslag voor België 43% van het bbp, rekening houdend met de socio-demografische kenmerken van ons land.[3] 

  

Rechtvaardige verdeling van inkomen, vermogen en belastingen

 

Een markteconomie werkt het best, indien de productiemiddelen verdeeld zijn over heel veel producenten. Enkel zo kan de concurrentie spelen; enkel zo loont de eigen inzet. Een vrije markteconomie floreert dus bij een redelijke verdeling van inkomen en vermogen, die vooral gebaseerd is op eigen inzet. In België is de inkomens- en vermogensverdeling relatief gelijk,[4] maar de verdeling van de belastingsdruk is dat veel minder. Vooral arbeid wordt fiscaal en parafiscaal zwaar belast.

 

Dat de belastingen op arbeid te hoog zijn, betekent niet dat andere belastingen te laag zijn. Ook de totale fiscale druk in België behoort immers tot de hoogste in de wereld. Volgens de Hoge Raad van Financiën lag de globale belastingdruk in België 8,1 procentpunt boven het gemiddelde in de eurozone. Daarmee is België één van de zwaarst belaste landen in de EU-28. Cijfers van Eurostat leren bovendien dat alle fiscale, parafiscale en niet-fiscale inkomsten van de Belgische overheden in 2013 samen 51,8% van het bbp bedroegen.

 

Tabel 2: Belastingdruk (% bbp)[5]

 

2000

2008

2012

2000

-2008

2008

-2012

België

45,1

44,2

45,4

-0,9

+1,2

Duitsland

41,3

38,9

39,1

-2,4

+0,2

Frankrijk

44,2

43,2

45,0

-1,0

+1,8

Nederland

39,9

39,2

39,0

-0,7

-0,2

EU27

37,0

36,6

36,3

-0,4

-0,3

Eurozone

37,2

37,0

37,3

-0,2

+0,3

 

 

No tax shift without tax limit

 

De fiscale druk moet billijker, rechtvaardiger en gelijker verdeeld worden over de verschillende inkomens- en vermogenscomponenten. Het hoge overheidsbeslag staat het noodzakelijke debat over een fiscale hervorming echter in de weg. Een verschuiving van de belastingen, een tax shift, kan enkel doorgevoerd worden in het kader van een globale fiscale hervorming, waarbij het maximale overheidsbeslag eerst grondwettelijk is verankerd. Zoniet bestaat de terechte vrees dat een tax shift leidt tot een verhoging van de fiscale druk (tax lift). Nieuwsoortige belastingen zorgen immers voor nieuwe inkomsten die al te vaak gebruikt worden om eerst het gat in de begroting te dichten, in plaats van andere belastingen te verlagen. Nieuwe inkomsten nemen immers de noodzaak weg om te saneren en efficiënter te werken.

 

Een grondwettelijke verankering van een maximale grens op de fiscale druk en het overheidsbeslag is dan ook de conditio sine que non om een grondige hervorming van het fiscaal systeem mogelijk te maken. Elke tax shift moet dan binnen bepaalde fiscale marges gebeuren. Zoniet, dreigt een tax shift uit te monden in een feitelijke belastingsverhoging en haar doel voorbij te schieten.

 

Door een bovengrens voor het globaal overheidsbeslag in de grondwet te verankeren, worden de vrijheden van de Belgische onderdanen niet verder ingeperkt dan nodig om de vrije markteconomie sociaal en ecologisch te corrigeren. Enkel op die manier kan een soziale Marktwirtschaft functioneren en is een rechtvaardige hervorming van het belastingssysteem mogelijk.

 



[1] Op basis van cijfers uit de Annual macro-economic database van de Europese Commissie wordt het BBP van België in 2014 op 393 miljard euro geschat. De overheidsuitgaven worden voor 2014 geraamd op 213 miljard euro. Het overheidsbeslag zou dus uitkomen op 54,1% van het bbp. (Bron: http://ec.europa.eu/economy_finance/ameco/user/serie/SelectSerie.cfm) Cijfers van de Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking (OESO) uit 2013 bevestigen dat België een overheidsbeslag heeft van 54% van het bbp. Duitsland laat een overheidsbeslag van 45% van het bbp optekenen. (Bron: OESO, Government at a Glance 2013. Parijs, OECD Publishing.)

[2] Bron: Eurostat.

[3] Kristof De Witte and Wim Moesen, Sizing the Government, Department of Economics, KULeuven, June 2007, mimeo, 17 p.

[4] Met een gini-coëfficiënt van 0,259 is de verdeling van van inkomen in België relatief gelijk. In de EU-28 kennen enkel Nederland, Tsjechië, Slovakije en de Scandinavische landen een nog gelijkere verdeling. De gemiddelde Europese gini-coëfficiënt voor inkomen bedraagt 0,305 (Eurostat, 2013). De gini-coëfficiënt voor de vermogensverdeling in België bedraagt 0,61. Hiermee behoort ons land opnieuw tot de meest egalitaire landen (EC, 2013).

[5] Bron: Hoge Raad van Financiën.

← Terug naar het overzicht