Bezoek academische website Lode Vereeck Lode Vereeck

Tax shift: beter goed hervormen, dan veel verschuiven

woensdag 1 april 2015

 

Op voorzet van de OESO worden drie mogelijke grondslagen voor een tax shift in België doorgelicht: consumptie, vervuiling en vermogens(winsten). Maar ons land heeft vooral nood aan een grondige fiscale hervorming die veel verder reikt dan een 'shift' en de druk verlicht. Met een eenheidstaks wordt het fiscaal stelsel in één klap veel eenvoudiger, rechtvaardiger en minder belastend. Een mogelijke tussenstap is de Zweedse duotaks.

 

1. Inleiding

De discussie over de tax shift wordt tot nu toe in de achterkamers van de politiek gevoerd. Het gebrek aan openheid zorgt ervoor dat het schaarse publieke debat wordt verengd tot een vermogens(winst)belasting of tot de oprichting van een technocratische partij. Dat is dubbel jammer. De tax shift moet immers kaderen in een ruime fiscale hervorming waarvoor een zo breed mogelijk politiek en maatschappelijk draagvlak nodig is. Enkel door een open publiek debat kan een grondige hertekening van ons belastingstelsel enkele legislaturen en wisselende coalities overleven. De Nederlandse regering bestaande uit de rechts-liberale VVD en de sociaal-democratische PvdA gaat daarom in overleg met àlle partijen in het parlement.

 

Het probleem is genoegzaam gekend. De (para)fiscale druk in België is niet alleen te hoog, ze is bovendien ongelijk verdeeld, waardoor de impliciete belastingsdruk op arbeid zelfs de hoogste in de wereld is. Nergens is arbeid zo duur, nergens houdt de werknemer zo weinig over van zijn brutoloon. Het doel van de fiscale hervorming is dan ook om de arbeidslasten te verlagen, waardoor de concurrentiekracht van de bedrijven en de koopkracht van de werknemers toeneemt.

 

Voor een omvangrijke verlaging van de arbeislasten moeten niet alleen de overheidsuitgaven fors omlaag (tot minstens onder 50% van het bbp), maar kunnen ook de belastingen verschoven worden naar andere belastingsgrondslagen, weg van het arbeidsinkomen. Op voorzet van de OESO worden eerst drie mogelijke grondslagen voor een tax shift in België doorgelicht: consumptie, vervuiling en vermogens(winsten). (klik op de grafiek in het kadertje bovenaan)

 

2. Consumptiebelastingen

Een eerste mogelijke tax shift is van arbeid naar consumptie. De beoogde verlaging van de arbeidslasten wordt dan gefinancierd door hogere belastingen op consumptie. In de praktijk komt dit neer op een harmonisering van de btw-tarieven of verhoging van de accijnzen. Er bestaat echter grote bezorgdheid dat een hogere btw tot hogere consumptieprijzen leidt, wat vooral de werknemers en de armen in de samenleving zou treffen. Twee scenario’s dienen zich aan.

 

Stel dat de hervormde btw 2 miljard euro meerinkomsten oplevert, die ingezet worden om de lasten op arbeid met 2 miljard te verminderen. Er moet opgemerkt worden dat in dit geval een deel van de factuur al verschoven wordt naar buitenlanders die in ons land hun geld spenderen.

 

Eerste scenario: indien de meerinkomsten gebruikt worden om de bruto-lasten voor de werkgevers met 2 miljard te verlagen, dan kan dit leiden tot 28.000 nieuwe jobs omdat arbeid relatief goedkoper wordt t.o.v. machines en t.o.v. buitenlandse concurrenten. Die extra jobs zorgen voor een hogere totale koopkracht.

Een btw-verhoging kan natuurlijk ook leiden tot hogere prijzen waardoor de koopkracht per werkende daalt. Maar of dat ook gebeurt, hangt enerzijds af van de prijsgevoeligheid van de klanten (de zogenaamde vraagelasticiteit). Meestal vreet een btw-verhoging ook een deel van de winsten aan en is het een gedeeltelijke vermogenswinstbelasting. Anderzijds is het aannemelijk dat ondernemers de verlaging van de loonkosten zullen willen omzetten in concurrentiëlere (lees: lagere) prijzen, om meer omzet en opdrachten binnen te halen. De negatieve bijwerkingen kunnen dus beperkt blijven.

 

Tweede scenario: indien de meerinkomsten gebruikt worden om de inkomensbelasting voor de werknemers te verlagen (bv. door het schrappen van de tussentarieven van 30% of 45%), dan stijgen de netto-lonen met 2 miljard. Maar zulke tax shift verlaagt de (loon)kostprijs voor de werkgever niet, waardoor het hogere btw-tarief zal geheven worden op eenzelfde basisprijs. Dit leidt tot hogere eindprijzen, eventueel getemperd door de vraagelasticiteit.

Dankzij hun hoger netto-loon kunnen de werknemers die prijsstijging meer dan opvangen. Aangezien ook buitenlanders en niet-werkenden een deel van de hogere btw ophoesten (bv. 700 miljoen euro), stijgt de totale koopkracht van de werknemers navenant (met 700 miljoen euro). Ook de gemiddelde koopkracht neemt toe. Maar of de individuele koopkracht verbetert, hangt af van het individuele belastingvoordeel.

Een hogere btw verslechtert wel de koopkracht van niet-werkenden, zoals steuntrekkers en renteniers. De last wordt dus mede door hen gedragen. Zo wordt een hogere btw een belasting op pech en vermogenswinst. 

Wat in het tweede scenario ook niet verbetert, is de concurrentiekracht van de Belgische bedrijven. Aanvullende maatregelen voor de laagste inkomens en de bedrijven dringen zich dus op in het tweede scenario.

 

3. Milieubelastingen

Er bestaan goede redenen om belastingen te heffen op vervuiling. Zo is het economisch zinvoller om een “bad” (vervuiling) te belasten dan een “good” (arbeid). Daarenboven zorgen eco-taksen voor een efficiënter gebruik van grondstoffen, waardoor onze bedrijven duurzamer, concurrentiëler en innovatiever worden. En ook de consumenten worden “geresponsabiliseerd”, doordat de milieukosten in de prijzen vervat zitten. Een te hoge milieubelasting kan natuurlijk ook onnodige schade aan een industrietak of bedrijf toebrengen.

 

Allemaal legitieme redenen dus. Maar om een tax shift te organiseren, zijn eco-taksen minder geschikt. Een milieubelasting is immers geen klassieke belasting die de schatkist moet vullen, maar een gedragssturende belasting. Een goed ontworpen eco-taks stuurt de consumenten en producenten van het vervuilende product naar het milieuvriendelijke alternatief, waardoor een eco-taks weinig tot niets opbrengt. Door die weinig robuste opbrengstcapaciteit zijn milieubelastingen niet geschikt voor de structurele financiering van onze overheden.

Milieubelastingen kunnen wel geoormerkt worden, d.w.z. dat de opbrengsten ingezet worden voor milieudoeleinden. Stel dat ze toch veel opbrengen (en dus eigenlijk niet goed sturen), dan kunnen de inkomsten gebruikt worden om milieuvriendelijke alternatieven fiscaal te stimuleren.

Kortom, er kunnen meer milieubelastingen worden geheven om ecologische redenen, maar voor de beoogde tax shift zijn ze te beperkt en te onzeker.

 

4. Vermogens(winst)belastingen

België kent niet alleen de hoogste impliciete belasting op arbeid, maar ook één van de hoogste impliciete kapitaalsbelastingen. Er bestaan dan ook tal van vermogens(winst)belastingen zoals vennootschapsbelasting, roerende voorheffing, onroerende voorheffing, erfenisrechten, schenkingsrechten, verdeelrechten, registratierechten, hypotheekrechten, heffingen op de 2de en 3de pensioenenpijler, banktaksen, beurstaksen, heffingen op speculatieve meerwaarden en binnenkort ook een kaaimantaks.

 

België kent echter geen belasting op de meerwaarde van aandelen en obligaties. Zoals bij de eco-taksen, geldt ook hier dat de opbrengsten beperkt en volatiel zijn. Ze hangen immers af van de prestaties van de beurzen. Meerwaardebelastingen zijn van nature dus niet geschikt voor de structurele financiering van de overheid. De opbrengsten kunnen best beschouwd worden als eenmalige meevallers, die eventueel gebruikt kunnen worden voor schuldafbouw.

De fiscale opbrengstcapaciteit verschraalt nog verder doordat meerwaarden enkel kunnen worden belast indien ook minwaarden fiscaal aftrekbaar zijn en doordat de vennootschapsbelasting moet worden geschrapt teneinde een dubbele belasting te vermijden. Er stellen zich ook enkele praktische problemen, zoals de referentiewaarde (aankoopdatum of datum van nieuwe belasting) of de bepaling van speculatief gedrag (bv. verkoop binnen 1, 2 of 3 jaar na aankoop).

 

Kortom, er kan een meerwaardebelasting worden ingevoerd omwille van het draagkrachtbeginsel, maar de opbrengsten zullen op korte termijn zo beperkt en op lange termijn zo volatiel zijn, dat ze niet zullen volstaan om een substantiële tax shift te financieren.

 

5. Fiscale hervorming

Op zich voldoet dus geen enkel voorstel van de OESO. De harmonisering of verhoging van de btw-tarieven is gerommel in de marge en een meerwaardebelasting is het zoveelste bijgebouw in onze fiscale koterij met een te beperkte opbrengst. Bovendien leidt juridisch haastwerk tot geschillen en onbedoelde achterpoortjes. Een tax shift is zeker onderdeel van een belastinghervorming, maar mag er niet tot verengd worden. 

 

Er is in België vooral nood aan een grondig vernieuwd belastingstelsel dat eenvoudiger, minder belastend en rechtvaardiger is. Zo maken de vele uitzonderingen het stelsel niet alleen nodeloos complex, maar zijn ze ook verantwoordelijk voor hogere basistarieven (om eenzelfde opbrengst te halen) en komen ze vooral ten goede van de hogere inkomensklassen. Een eenvoudig systeem leidt dus tot lage en rechtvaardige tarieven. Bovendien is het makkelijk te handhaven, vermindert het de administratiekosten en bevordert het de eerlijke concurrentie, wat op zijn beurt leidt tot meer goesting om te werken en te ondernemen. In een rechtvaardige samenleving dragen de sterkste schouders de zwaarste lasten, maar moeten ook alle inkomensbronnen gelijk behandeld worden en niet dubbel belast. De economie heeft dan weer nood aan fiscale stabiliteit en rechtszekerheid. Daarom vereist een fiscale hervorming een breed maatschappelijk en politiek draagvlak, opdat het nieuwe stelsel enkele legislaturen en wisselende coalities overleeft.

 

Een belastingsysteem dat voldoet aan de criteria van eenvoud, rechtvaardigheid en lagere fiscale druk is de eenheidstaks. L’impôt unique is een inkomensbelasting met een vast tarief dat geheven wordt op alle samengetelde inkomens boven een vrijgesteld bedrag, zonder vrijstellingen en aftrekposten (behalve personen ten laste). Een eenheidstaks kent één tarief, maar dankzij het een belastingvrije deel en het schrappen van alle aftrekposten is de gemiddelde belastingdruk progressief.

De eenheidstaks is ook de enige en gelijke belasting van alle inkomens, zowel uit arbeid als uit vermogen (lonen, rentes, dividenden, gerealiseerde meerwaarden, huurgelden, …). Het vervangt uiteraard alle andere bestaande inkomens- en vermogenswinstbelastingen. In combinatie met een basisinkomen is er sprake van een zogenaamde negatieve inkomensbelasting.

 

Dit land heeft nood aan een grondige fiscale hervorming die terug leven in onze economie en samenleving brengt. De eenheidstaks is mijn fiscale synthese, mijn brug tussen links en rechts, tussen werkgevers en werknemers. Het verzoent terechte sociale bekommernissen met even terechte economische zorgen. De eenheidstaks opent perspectief op een rechtvaardige en welvarende toekomst.

 

De eenheidstaks zal echter niet op één dag worden gerealiseerd. Een mogelijke tussenstap is het tweeledige Zweedse belastingstelsel. De belastingsbrief bestaat er uit twee delen. Deel 1 is een progressieve inkomensbelasting op arbeid en ondernemen (met een belastingvrij minimum). Deel 2 is één proportionele taks op de netto-winsten van alle opgetelde vermogensposten (dus alle vermogenswinsten met aftrek van verliezen en kosten).

 

6. Conclusie: "Beter een pond verlicht dan een kilo verschoven"

De Belgische regering staat onder druk om voor de zomer een bijkomende tax shift te realiseren die de (para)fiscale druk op arbeid verlaagt. Idealiter kadert deze tax shift in een ruimere fiscale hervorming die enerzijds de globale (para)fiscale druk fors verlicht (tot minstens onder 50% van het bbp) en anderzijds de fiscaliteit vereenvoudigt en rechtvaardiger maakt. Een tax shift kan daar onderdeel van zijn, maar die moet getoetst worden op zijn bijdrage tot de verlaging, vereenvoudiging en grotere rechtvaardigheid van ons belastingstelsel, richting eenheidstaks.

 

← Terug naar het overzicht